
Je gebruikt de subjuntivo in de hoofdzin na in zinnen die een wens uitdrukken en in zinnen die voorafgegaan worden door een woord of uitdrukking die twijfel uitdrukt.
Zinnen die een wens uitdrukken kunnen onder meer beginnen met ojalá of met qué.
Ojalá vea la cigüeña negra. (Hopelijk zie ik de zwarte ooievaar.)
Ojalá tengan suerte. (Hopelijk hebben ze geluk.)
¡Que aproveche! (Smakelijk eten!)
¡Que tengas suerte! (Veel geluk!)
¡Viva la república! (Leve de republiek!)
Je gebruikt de subjuntivo als het woord dat twijfel uitdrukt zich voor het werkwoord bevindt. In het andere geval gebruik je de indicativo.
Quizá sepa la verdad. (Misschien weet hij de waarheid.)
Sabe la verdad, quizá. (Hij weet de waarheid misschien.)
Probablemente tenga 40 años. (Waarschijnlijk is hij 40 jaar oud.)
Tiene 40 años probablemente. (Hij is 40 jaar oud waarschijnlijk.)
Tal vez tenga razón. (Wellicht heeft hij gelijk.)
Tiene razón tal vez. (Hij heeft gelijk, wellicht.)
Acaso haga falta recurrir a la experiencia. (Misschien is het nodig een beroep te doen op de ervaring.)
A lo mejor (wellicht) gebruik je altijd met indicativo, ook als het werkwoord volgt.
A lo mejor tiene razón. (Wellicht heeft hij gelijk.)
Laatst bijgewerkt: 2007-11-25